


De Nederlandse Muziekdagen werkt dit jaar samen met literair tijdschrift De Revisor. Zes auteurs zijn gekoppeld aan zes dichters om zes gezamelijke werkstukken te maken, die tijdens de Muziekdagen worden uitgevoerd, en van de samenwerkingen wordt verslag gedaan in het komende Revisor-nummer (2009 nr. 4/5). Op Muziekplein zijn deze week alvast wat fragmenten te lezen. Vandaag twee fragmenten uit de correspondentie tussen componist Peter Adriaansz en dichter Astrid Lampe.
Peter Adriaansz over zijn muzikale poëtica en over wat hem voor ogen staat in de samenwerking:
In principe probeer ik me in mijn werk altijd met een soort basale essentie bezig te houden. Een essentie die vaak teruggrijpt naar de oerbeginselen van iets en die eeuwenlange ‘ontwikkeling’ het liefst laat voor wat ze is. In dat opzicht staat me ook iets vergelijkbaars voor ogen m.b.t. dit projekt: iets elementairs en krachtigs onthullen over oerverbanden tussen woord, stem en geluid: op welk moment wordt iets ‘poëzie’ bijvoorbeeld. Wanneer is een woord, of een connectie van woorden ‘poëtisch’? En wat is ‘muzikale poëzie’? Woorden die zich bewust worden van zichzelf enz. Maar ook, en voornamelijk zelfs, hoe uit zich dat in tijd en vorm: wat is een ‘langzame’ tekst?, wat een ‘snelle’? Aangezien ik componist ben is die abstrakte tijdverdeling natuurlijk behoorlijk essentieel.
In principe ‘zet’ ik daarom ook niet, maar neig ik eerder naar het ‘etaleren’ – met nul tot geen commentaar, en ‘betekenis’ op zijn hoogst in de vorm van associaties. Maar zeker niet in de vorm van dubbele betekenissen gestoeld op een soort aangenomen voorkennis bijvoorbeeld. Dingen, associaties, complexiteiten moeten duidelijk zijn op basis van hun eigen inhoudelijke kracht, zonder al te veel vóórkennis. Maar goed, dat geldt voor mijn werk...
Het lastigste bij dit projekt is dat ik in principe dus geen ‘literaire componist’ ben (hoewel ik wel regelmatig met tekst heb gewerkt uiteraard): narratief of dialektiek spelen eigenlijk geen enkele rol in mijn werk; sterker nog, ik hou ze er echt buiten. Het is wat dat betreft eerder verbonden aan de wetenschap of de natuur dan met humanistische, culturele of al te subjectieve zaken.
[...]
M.b.t. dit projekt was er eigenlijk maar 1 ding dat me in feite het meest interesseerde, maar dat is ook wel een groot ding: de verhouding tussen voordracht, snelheid en klank. Er waren twee dingen die ik wilde uitproberen, één daarvan was een Fourier-analyse van een lezende stem, waarbij een – liefst repetitieve, allitererende of zelfverwijzende – tekst geleidelijk, maar letterlijk, vertaald zou worden naar klank d.m.v. een analyse van de formanten. En dan later in het werk het tegengestelde hiervan: klankanalyse die uiteindelijk weer de sprekende stem wordt. Zaken als tempo en informatiedichtheid enz. zouden hierin minder belangrijk zijn, kwaliteit van de woorden daarentegen veel meer, maar je zou je moeten voorstellen dat die stem in het ene geval geleidelijk verdwijnt en in het tweede geval geleidelijk tevoorschijn komt.
Uit het antwoord van Astrid Lampe:
Door jouw verhaal moest ik direct aan het werk van F. van Dixhoorn denken, met wie ik samenzweer omdat we zeer aan elkaar verwant zijn maar geen hond heeft dat door. Waar zijn poëzie de zuiverheid en de abstractie zelve lijkt, doet de mijne juist geëxalteerd en nogal hysterisch aan. Dat heeft een reden. Ik ben erachter gekomen dat mensen die zich poëzieliefhebber noemen, verknipte kerkgangers zijn die de poëzie in onversneden vorm absoluut niet verdragen. Ze walgen ervan, omdat ze er geen verhaaltje of zieltje, of de ziel van een beroemde dichter aan op kunnen hangen. Ze willen niet toegeven dat ze snob zijn, reptielen, hagedissen, vette varanen. Mijn poëzie wil het met die varanen gerust op een akkoordje gooien. Op zo’n manier dat ze er hoe dan ook goed de schurft over in krijgen. Ik spek het ego van de poëzie met lyriek en stijlblommen en dramatiek en pathetiek retoriek iek iek tot het zichzelf opblaast. Dan snakt men naar het wit wat ik je brom.
Werk #44 van Peter Adriaansz en Astrid Lampe wordt uitgevoerd tijdens de Nederlandse Muziekdagen op 10 oktober om 20:15 in de Grote Zaal van het Muziekgebouw aan 't IJ door de Radio Kamer Filharmonie onder leiding van Micha Hamel met voordracht door Astrid Lampe.





