


Tijdens mijn studie compositie en in de jaren daarna organiseerde ik jarenlang een concertserie voor nieuwe kamermuziek, Concerten Tot en Met, tot 2004. Daarna ging ik als programmeur werken voor poëziestichting Perdu. Zo leerde ik zowel de hedendaagse-muziekwereld als de literaire wereld van binnenuit kennen, en ook de overeenkomsten en verschillen daartussen.
Een interessant verschil is bijvoorbeeld dat waar hedendaagse muziek vaak zeer internationaal georiënteerd is, de literaire wereld juist heel nationaal is, maar daar staat tegenover dat qua achtergrond, opleiding, interesse en denkwijze de literatuur veel complexer is dan de muziek. In de muziekwereld heeft vrijwel iedereen conservatorium of muziekwetenschap gedaan, maar dichters en essayisten kunnen overal vandaan komen.
Die bredere sociale inbedding is ook te zien in de omgang met politiek en met kwesties van engagement. Iedere schrijver of dichter begrijpt dat er een buitenwereld is met een politiek waar de literaire productie niet anders kan dan zich toe verhouden. Wie een boek schrijft over iets dat zich in onze wereld afspeelt zal daarmee, al is het impliciet, politieke betekenissen en boodschappen verwerken.
Discussies over de relatie tussen literatuur en maatschappij zijn dan ook heel normaal. De laatste editie van die discussie was bijvoorbeeld naar aanleiding van het boek van Thomas Vaessens, hoogleraar Nederlandse Letterkunde aan de UvA. Die heeft in zijn boek "De Revanche van de Roman" een schetsmatige theorie gelanceerd van mogelijke verhoudingen van de literatuur tot de maatschappij. Over dat boek is stevig gediscussieerd door voor- en tegenstanders van Vaessens' theorie, maar wat in elk geval niet ter discussie stond was dat een literair werk een politieke stellingname of betekenis kan hebben, of altijd vanuit zijn verhouding tot de maatschappelijke werkelijkheid gelezen kan worden. Dat bewustzijn ligt heel diep verankerd in de literaire cultuur.
In de muziek lijkt dat anders. Tijdens het Toonzetters-festival waren twee stukken te horen, die mij verrastten door hun omgang met politieke thema's. In beide gevallen werd een politiek thema aangeroerd maar tegelijk tot op zekere hoogte de bijbehorende mogelijkheden van publieke stellingname ontkend.
Op subtiele wijze gebeurde dat bijvoorbeeld in Klas Torstensson's "In grosser Sehnsucht", waarin hij van vijf beroemde historische vrouwen teksten had getoonzet. Eén van die vrouwen was Rosa Luxemburg, van wie hij een lyrisch fragment uit een brief had getoonzet, op een muziek die refereerde aan de wereld van Alban Berg. Het was een mooi, verfijnd gecomponeerd werk, dat me tegelijk enigszins in verwarring bracht. Dat had mede er mee te maken dat ik niet lang daarvoor de bundel "Liedjes" van Herman Gorter had gelezen, waarin Luxemburg nog was gepresenteerd als de martelares voor de arbeidersbeweging. Maar bij Torstensson verscheen plotseling een verinnerlijkte kamermuziek-salon-Luxemburg. Het was natuurlijk de bewuste keuze van de componist om de historische figuur op een verrassende manier uit te diepen, door haar met een lyrisch gevoelsleven uit te rusten, gesymboliseerd door het expressionisme. In een overduidelijk politieke Luxemburg met martiale strijdliederen had de componist om begrijpelijke redenen geen zin: dat zou potsierlijk zijn. Toch was het merkwaardig, de harde politieke realiteit van 1918 te horen worden afgetroefd door een salon-esthetiek.
Veel curieuzer was het stuk van Edward Top, Aliquid stat pro aliquo. In deze compositie had Top een tekst gebruikt van een Amerikaan die in Iraq had gevochten en die zich met een felle aanklacht tegen de oorlog had uitgesproken. Top had de militair toestemming gevraagd om zijn tekst te gebruiken, en deze had gezegd dat dat goed was, als de compositie de vrede maar zou dienen. Het stuk was daarmee overduidelijk een politieke stellingname. Maar tot mijn verbijstering bleek de componist dat in het vraaggesprek vooraf niet zo te zien. Het ging de componist niet om een stellingname over imperiale oorlogsvoering, maar om het psychologische proces dat die militair kennelijk doorgemaakt had, een uitbeelding van de verschrikkingen die hij had meegemaakt. Ook hier werd een politieke boodschap ondergeschikt gemaakt aan een uitbeelding van subtiele innerlijkheid, maar ditmaal was het de componist die het politieke karakter van zijn eigen stuk wenste te ontkennen.
Het is net alsof het een politieke boodschap afbreuk doet aan een artistieke daad. Kunst, dat gaat over het subtiel uitbeelden van gevoelens, niet over de wereld met haar belangen en conflicten. Alsof bij een politiek werk die wereld de kunst dreigt te banaliseren. Maar dat miskent dat een politieke stellingname juist heel spannend, complex en subtiel kan zijn - en, niet te vergeten, noodzakelijk.
Dat een componist de politieke lading van een werk dat zich expliciet tegen de oorlog uitspreekt ontkent, daarvan kan ik me niet voorstellen dat dat in de literatuur zou gebeuren. Wel zou een literair auteur het belang van stijl en vorm kunnen benadrukken boven dat van het onderwerp (en dat gebeurt regelmatig), maar dat zo'n onderwerp ook politiek betekenis heeft zou iedereen begrijpen. Puur het feit dat er voor een politiek pregnant onderwerp gekozen wordt om een psychische spanning weer te geven maakt al dat kunst onontkoombaar politiek geladen is. Dat is een feit waar componisten best meer gebruik van zouden kunnen maken.
(De eerst gepubliceerde versie van deze column is licht gewijzigd.)





